Katheterproblemen

Bij het gebruik van verblijfskatheters ontstaat er in de blaas vaak neerslag (slijm of gruis) ten gevolge van afgestoten blaaswandslijmvlies en soms ook steenvorming. Iedere cliënt met een verblijfskatheter heeft bacteriën in de urine. Infectie bij een chronische verblijfskatheter is vaak aanwezig. Een verstopte blaaskatheter is voor de cliënt een vervelende en risicovolle aangelegenheid. De cliënt kan nerveus worden, pijn en/of koorts hebben, een sepsis krijgen en daardoor in shock raken. Veelal dient de katheter te worden verwisseld.

Volgens de richtlijnwerkgroep van Verenso kan bij langdurige katheterisatie encrustratie voorkomen worden door intermitterende katheterisatie toe te passen. Mocht dit niet lukken dan kan op vaste tijden en bij encrustratie frequenter volgens afspraak de katheter worden verwisseld, zo nodig om de week. (Verenso).

Omdat blaasspoelingen encrustratievorming op, maar met name in de katheter moeten voorkomen, lijkt spoelen via de katheter met ruime hoeveelheden (50 - 100 ml) overdadig: er moet meer gedacht worden aan katheterspoelen dan aan blaasspoelen. Het spoelen van de blaas met ruime hoeveelheden zure vloeistoffen is ook nadelig vanwege forse irritatie van de blaaswand. Uit onderzoek is gebleken dat frequenter spoelen met een kleinere hoeveelheid effectiever is dan infrequent spoelen met een ruimere hoeveelheid. Hoewel dit niet door onderzoek is gestaafd, lijkt om de dag spoelen met bijvoorbeeld 10 ml voldoende voor optimaal "katheteronderhoud". Deze kleine hoeveelheden geven in ieder geval minder blaasirritatie. Een interval van om de dag geeft de blaaswand ook enig herstelmogelijkheid.

Conclusie
Het concept van blaasspoelen moet vervangen worden door katheterspoelen: waar het uiteindelijk om gaat is het voorkomen van encrustratievorming in de katheter. Hierbij past om de dag spoelen met kleine hoeveelheden (10 ml), bijv. met Solutio G.

Klik hier voor de richtlijn blaaskatheters Verenso (2011).

Sluiten

Vragen waar het meest overleg over is zijn de volgende:

  1. Er is geen productie of weinig van urine zichtbaar in opvangzakje.
  2. Bloed naast de CAD en/of in katheterzakje;
  3. Urine loopt langs de slang.
  4. Suprapubische katheter ligt eruit.
  • indien herplaatsen (suprapubische) katheter niet lukt
  • retentie > 300 cc
  • shock (definitie) bij overmatig bloedverlies
  • bloedverlies bij gebruik bloedverdunners (acenocoumarol, Ascal)
  • onverdraaglijke blaaskrampen
  • koorts en ziek zijn
  • niet van toepassing

Vragen

A. Geen / weinig productie

  1. Hoeveel urineproductie is er geweest in hoeveel tijd?
  2. Hangt urineopvangzak lager dan blaas cliënt?
  3. Ligt slang vrij/ geen kocher op slang of klem?
  4. Hoe ziet de urine (in de slang) eruit; is deze vies/vlokkerig/ bloedbijmenging?
  5. Heeft cliënt pijn in onderbuik (blaas) en/of aandrang tot mictie?

B. Bloed naast CAD/via slang en/of in opvangzakje

  1. Sinds wanneer is dit opgemerkt, gerapporteerd?
  2. Hoe ziet de urine eruit: vies, vlokkerig, lichtrood, donkerrood, stolsels?
  3. Is er sprake van recent trauma (moeizame katheterisatie, zelf verwijderd
  4. of hard aan katheter getrokken)?
  5. Is de katheter nog doorgankelijk? Is er sprake van retentie/buikpijn/ mictiedrang?
  6. Is er sprake van een urineweginfectie. Zo ja, waarmee wordt het behandeld?
  7. Gebruikt cliënt antistolling?
  8. Wat zijn de controles (RR pols en temp)?

C. Urine loopt naast de CAD

  1. Indien CAD niet of weinig productief zie punt 1.
  2. Heeft cliënt last van blaaskrampen?
  3. Welke maat CAD is gebruikt en met hoeveel cc is ballon gevuld?

D. CAD/suprapubische katheter ligt eruit

  1. Sinds wanneer ligt katheter eruit?
  2. Wat is de oorzaak dat de katheter eruit ligt?
  3. Loop urine af via natuurlijke weg?
  4. Heeft cliënt retentie/buikpijn /mictiedrang?

Advies

A. Geen / weinig productie

  1. Slang en hoogte urineopvangzak laten controleren op obstructie en hoogteverschil blaas-urineopvangzak.
  2. Ballon katheter leeg laten lopen, katheter hogerop schuiven en ballon weer vullen.
  3. Doorgankelijkheid katheter bepalen door blaasspoeling met blaasspoelvloeistof.
  4. Indien mogelijk bladderscan.
  5. Bij verstopping katheterslang: katheter vervangen of laten vervangen.

B. Bloed naast CAD/via slang en/of in opvangzakje

  1. Indien recent trauma of moeizame katheterisatie: observeren.
  2. Bij aanhoudende bloedmenging urine blaasspoelen met gekoelde fysiologisch zoutoplossing: 3 à 4 x daags.
  3. Controle pols/temp/RR eventueel Hb bepaling

C. Urine naast CAD

  1. Vulling ballon controleren: ballon leeg laten lopen en opnieuw bij voorkeur met 5 cc laten vullen; meer vulling kan meer prikkeling geven.
  2. Indien kleine maat CAD eventueel grotere maat plaatsen.
  3. Indien cliënt last heeft van blaaskrampen/overactieve blaas overwegen een kleinere maat te plaatsen of eerst de ballon opnieuw te vullen met 5 cc in plaats van 10 cc.

D. Katheter(suprapubische) ligt eruit

  1. De suprapubisch katheter dient zo snel mogelijk weer geplaatst te worden.
  2. Eventueel in overleg met arts tijdelijk een transurethrale katheter inbrengen (bij pijn in de onderbuik).
  3. Bij ernstige onrust en zelf verwijderen van katheter door cliënt i.o.m. arts katheter uit laten tot later tijdstip op basis van uitslag bladderscan (met uitzondering van suprapubische katheter!).

NB.
Bij koorts/buikpijn en geen ander focus voor de koorts gevonden kan worden. Urine opvangen (let op! direct uit de slang) en in overleg met arts inzenden voor kweek.

  1. CAD: Katheter à Demeure = transurethrale katheter (verblijfskatheter)
  2. Suprapubische katheter = suprapubische katheter ligt in de blaas via een kunstmatig gemaakte opening; fistel. Zodra de katheter er niet meer in zit kan dit fistel zich binnen een uur sluiten.

Achtergrondinformatie

© 2020 Archipel Zorggroep (Verpleegkundige Triage) - Forever happy online with a GraagGoedOnline.nl cloud website or webshop - Sitemap