Diarree

Diarree:
Is een abnormaal (veranderd) ontlastingspatroon dat korter dan veertien dagen bestaat, waarbij dunne ontlasting wordt geproduceerd in een toegenomen frequentie, hoeveelheid en met een verhoogd watergehalte. Diarree is in het algemeen een symptoom van een ander probleem.

Acute diarree:
Komt zeer veel voor en gaat in de meeste gevallen vanzelf over binnen vier tot zeven dagen. Het wordt meestal veroorzaakt door een infectie (virus, bacterie of parasiet). Bekend binnen instellingen is de besmetting met het norovirus. Denk ook aan overleg met de GGD betreffende maatregelen. Ook kan de oorzaak liggen bij pas gestarte medicatie zoals AB, antihypertensiva, digoxine, SSRI, NSAID.
De huisarts behandelt acute diarree vrijwel altijd zelf. Het beleid richt zich in eerste instantie op voorlichting en in tweede instantie op het voorkomen of behandelen van dehydratie. Dit is een ernstige complicatie, die zelden voorkomt. Uit onderzoek blijkt dat in de verstandelijke gehandicaptenzorg diarree vaker voorkomt, mogelijk door het leven in woongroepen, de matige hygiëne en het frequenter gebruik van medicatie.

Chronische diarree:
Dit kan veroorzaakt worden door bijvoorbeeld het prikkelbare darmsyndroom, voedselovergevoeligheid (coeliakie bij downsyndroom), een chronische darmontsteking (ziekte van Crohn, colitis ulcerosa, diverticulitis), een ongezond voedingspatroon, bijwerkingen van medicatie, sondevoeding, het overmatig gebruik van suikers of kunstmatige zoetstoffen (light-producten). Er kan echter ook sprake zijn van overloopdiarree.

Dehydratie/uitdroging:
De angst voor uitdrogen is bijna altijd ongegrond. De kans hierop is bij volwassenen klein, maar ernstig zieken of kwetsbare ouderen zijn wel gevoelig voor uitdroging. Ze hebben een verminderd dorstgevoel, een verminderde nierfunctie en/of gebruiken diuretica. Zeker wanneer ze langer dan een dag frequent waterdunne diarree hebben of diarree met koorts en/of braken, moet men alert zijn op uitdroging.
Tekenen die op vochttekort wijzen, zijn: droge slijmvliezen van de mond, huilen zonder tranen, geen of donkere urine / langer dan een halve dag geen nat incontinentiemateriaal, een snellere hartslag dan normaal, sufheid en/of verwardheid, afgenomen huidturgor (beoordeling vereist ervaring), opvallende dorst, neiging tot flauw vallen. ORS kan gebruikt worden bij dehydratie of bij een verhoogd risico op dehydratie bij risicogroepen. Het vult mineralen, die door het vochtverlies verloren zijn gegaan, weer aan. Het gebruik van appelsap, cola, sportdrank, jus d’orange en kippenbouillon zijn onbruikbaar ter vervanging van ORS.

Medicijnen en diarree:
Diarree is een bijwerking van veel medicamenten zoals antibiotica, laxantia, digitalis, bètablokkers, NSAID’s, cytostatica en magnesiumzouten. Diarree beïnvloedt de opname van medicijnen en dehydratie beïnvloedt de werking ervan. Door bloedspiegel veranderingen kunnen bij gelijkblijvende dosis toxische bloedspiegels ontstaan. Bij diarree loopt de betrouwbaarheid van de pil gevaar, er is extra bescherming nodig.
Bij gebruik van anti-epileptica, lithium, dioxinen, corticosteroïden, anticoagulantia, analgetica, hypoglycemische middelen, insuline en orale anticonceptiva moet met de arts worden overlegd of aanpassen van de medicatie noodzakelijk is.

Overloopdiarree:
Dit is het gevolg van een verstopping in de darm. Dunne ontlasting kan hierlangs weglekken. Het is een uiting van ernstige obstipatie.

Rectaal bloedverlies:
Het inschatten van bloedverlies kan lastig zijn, zeker als het bloed vermengd is met water in de pot. Probeer een indruk te krijgen door te praten over begrippen als: druppelen, straaltje, kopje vol. Helderrood bloed is meestal onschuldig, maar verontrust de cliënt het meest, terwijl juist het met de ontlasting vermengde donkerrode bloed een indicatie kan zijn van ernstige oorzaken.

Reizigersdiarree:
Ontstaat meestal kort na aanvang van een bezoek aan sommige landen. Besmetting treedt op via voedsel en drank, meestal met speciaal type E. Coli-stammen.

Risicogroepen bij diarree:
Deze vergen extra aandacht. De cliënt kan in korte tijd ernstig ziek worden. Denk aan: kwetsbare ouderen, nierinsufficiëntiecliënten, cliënten met verminderde weerstand door een ziekte of de behandeling daarvan (HIV, DM, splenectomie, bestraling of cytostatica in verband met kanker, corticosteroïdgebruik), gebruik van medicatie die de dehydratie of elektrolytverschuivingen door de diarree kunnen verergeren (diuretica) of het gebruik van medicatie met een smalle therapeutische breedte. Daarnaast zijn cliënten met acute diarree die verblijven in een instelling een verhoogd besmettingsgevaar voor anderen.
De Bristol Stoelgangschaal of Bristol Stoelgangkaart is ontworpen om de vorm van menselijke ontlasting te verdelen in zeven categorieën. Vaak wordt deze gecombineerd gebruikt met een poepdagboekje om stoelgangproblemen in kaart te brengen.

Sluiten

Dunne, waterige ontlasting en/of verhoogde frequentie van stoelgang (meer dan drie keer per dag). Regelmatig/vaak kan diarree gepaard gaan met buikkrampen, misselijkheid, braken en koorts. Diarree wordt vaak veroorzaakt door een bacteriële of virale infectie van de darm en is zeer besmettelijk.

  • suf/verward zijn
  • shockverschijnselen (lage bloeddruk, hoge polsfrequentie)
  • persisterend braken, neiging tot flauwvallen
  • cliënten > 70 jaar met koorts > 39 ° C en > 1 dag frequent waterdunne diarree
  • geen urineproductie gedurende 12 uur
  • bij uitbreken darminfectie bij eerdere cliënten (zie diarree)
  • persisterende buikpijn in plaats van darmkrampen
  • bij gebruik medicatie: anti-epileptica, insuline, digoxine, diuretica, lithium
  • bloed/slijm bij ontlasting

Vragen

  1. Hoe vaak heeft cliënt ontlasting per dag/dienst?
  2. Sinds hoeveel dagen heeft cliënt deze klachten?
  3. Wat is de bloeddruk, pols en temperatuur?
  4. Hoe ziet de ontlasting eruit (waterdun, kleur, geur, bloed/slijmbijmenging)?
  5. Heeft cliënt nog andere klachten (overgeven, dorst, neiging tot flauwvallen, aanhoudende buikpijn)?
  6. Wat is de medische voorgeschiedenis van cliënt (obstipatie)?
  7. Gebruikt cliënt medicatie (laxantia, antibiotica, NSAID, antihypertensiva, digoxine, antacida)?
  8. Is cliënt recentelijk behandeld met antibiotica?
  9. Wat is de vocht- en voeding intake van cliënt? Gebruikt cliënt sondevoeding?
  10. Zijn er nog andere cliënten en/of personeelsleden met deze klachten? Zo ja, hoeveel in totaal?

Advies

  1. Geef extra vocht! Kleine slokjes per keer, juist bij braken (geen extreem warme of koude drank geven) wees alert op dehydratie.
  2. Stop laxantiagebruik tot nader order arts.
  3. Cliënt mag alles eten naar behoefte. Wanneer cliënt geen vast voedsel meer wil eten:
    • Geef heldere dranken. (bouillon, gezeefd vruchtensap, isotone dorstlesser). Geef zo min mogelijk melkproducten, vet, zoet voedsel, citrusvruchten en producten met cafeïne. Voeg geleidelijk halfvast voedsel toe (beschuit, yoghurt, rijst, banaan, appelmoes) bij het afnemen van de diarree.
  4. Bij diabetici extra bloedsuikercontrole afspreken.
  5. Bij krampen warme doek op buik geven.
  6. Bij sondevoeding wanneer deze slecht verdragen wordt: totale hoeveelheid verminderen door tussendoor water te geven in plaats van sondevoeding.
  7. Goede hygiënemaatregelen treffen (schort, handschoenen, handhygiëne). Bij > 2 cliënten op de afdeling met dezelfde klachten start cohortverpleging en protocol gastro enteritis.

Achtergrondinformatie

© 2020 Archipel Zorggroep (Verpleegkundige Triage) - Forever happy online with a GraagGoedOnline.nl cloud website or webshop - Sitemap